Actueel

Actueel

Manual therapy compared with physical therapy in patients with non-specific neck pain: a randomized controlled trial

Klik op de links voor het artikel in Chiropractic & Manual Therapies of Pubmed

Klik hier voor het artikel in PDF

Abstract
Background: Manual therapy according to the School of Manual Therapy Utrecht (MTU) is a specific type of passive
manual joint mobilization. MTU has not yet been systematically compared to other manual therapies and physical
therapy. In this study the effectiveness of MTU is compared to physical therapy, particularly active exercise therapy (PT)
in patients with non-specific neck pain.
Methods: Patients neck pain, aged between 18–70 years, were included in a pragmatic randomized controlled trial
with a one-year follow-up. Primary outcome measures were global perceived effect and functioning (Neck Disability
Index), the secondary outcome was pain intensity (Numeric Rating Scale for Pain). Outcomes were measured at 3, 7, 13,
26 and 52 weeks. Multilevel analyses (intention-to-treat) were the primary analyses for overall between-group
differences. Additional to the primary and secondary outcomes the number of treatment sessions of the MTU
group and PT group was analyzed. Data were collected from September 2008 to February 2011.
Results: A total of 181 patients were included. Multilevel analyses showed no statistically significant overall differences
at one year between the MTU and PT groups on any of the primary and secondary outcomes. The MTU group showed
significantly lower treatment sessions compared to the PT group (respectively 3.1 vs. 5.9 after 7 weeks; 6.1 vs.
10.0 after 52 weeks).
Conclusions: Patients with neck pain improved in both groups without statistical significantly or clinically relevant
differences between the MTU and PT groups during one-year follow-up.
Trial registration: ClinicalTrials.gov Identifier: NCT00713843.

Keywords: Randomized controlled trial, Neck pain, Manual therapy, Physical therapy, Effectiveness

Dragen de sagittale- en de frontale- en de horizontale – bewegingscomponent in de Manuele Therapie ES evenveel bij aan het eindresultaat?

Inleiding
In een populatie van N=499 zijn tinnitus patiënten behandeld met Manuele Therapie e.s. (MT). De populatie is tot stand gekomen door in een periode van vijf jaar advertenties in plaatselijke couranten te plaatsen waarin mensen met Tinnitus werden uitgenodigd zich te laten behandelen. Eerder is in een pilot studie (Bakker, 2012) onderzocht of het resultaat van de MT was toe te schrijven aan toeval of dat dit kon worden gerelateerd aan de gegeven behandeling. Verder is onderzocht welke anamnese de beste informatie gaf om de behandeling MT daar zo goed mogelijk op te laten aansluiten.(Bakker, 2012). Ook is in een follow-up onderzoek aangetoond dat in een lage frequentie door behandelen na twaalf behandelingen er in de periode daarna een significant beter resultaat bij de behandelgroep werd behaald dan bij de niet behandelgroep.(Bakker, 2012). In recent onderzoek (Oostendorp ea, 2016) is zowel theoretisch als praktisch aangetoond dat MT een goede keuze voor behandelen is bij deze patiënten categorie.

Conclusie
De vraag van dit onderzoek luidt: Dragen de sagittale- en de frontale- en de horizontale – bewegingscomponent evenveel bij aan de uitgevoerde beweging? Aangetoond is dat in een populatie van N=499 tinnitus patiënten bij behandeling 2,3,6 en 8 t/m 11 met manuele therapie e.s. de sagittale bewegingscomponent statistisch significant bijdraagt (alpha=0.05) aan de therapeutische beweging terwijl dat niet voor de frontale en horizontale bewegingscomponent kan worden gezegd. Verder onderzoek is over dit onderwerp wenselijk.

Auteur:
Iem Bakker MSc.
Bakker, IC, Ambulante praktijk voor tinnitus behandeling, Rheden

Lees hier meer over dit onderzoek.

Wereldwijd wordt veel onderzoek uitgevoerd naar de herkomst van tinnitus (oorsuizen). Beide artikelen uit 2016, die door een internationale groep onderzoekers zijn gemaakt, geven state of the art de belangrijke rol die manuele therapie ES. kan spelen bij de behandeling van oorsuizen. De behandeling leidt tot zowel statistische als klinische relevantie. Hopelijk geven deze studies aanleiding aan de beroepsgroep om in de dagelijkse praktijk de manuele therapie ES op een hoger wetenschappelijk niveau te brengen.

Iem Bakker MSc, manueel therapeut.

De huidige stand van onderzoek (2016) naar de behandeling van tinnitus wordt het beste weergegeven in twee artikelen van Oostendorp ea, beide gepubliceerd in Manual Therapy met als titels:
Cervicogenic somatosensory tinnitus: An indication for manual therapy? Part 1: Theoretical concept. (Man Ther. 2016 Jun;23:120-3. doi: 10.1016/j.math.2015.11.008. Epub 2015 Dec 18)
en
Cervicogenic somatosensory tinnitus: An indication for manual therapy plus education? Part 2: A pilot study. (Man Ther. 2016 Jun;23:106-13. doi: 10.1016/j.math.2016.02.006. Epub 2016 Feb 21.)

In beide artikelen zijn de auteurs:
Oostendorp RA (1), Bakker I (2), Elvers H (3), Mikolajewska E (4), Michiels S (5), De Hertogh W (6), Samwel H (7)
1: Department of Manual Therapy, Faculty of Medicine and Pharmacy, Vrije Universiteit Brussel, Brussels, Belgium; Scientific Institute for Quality of Healthcare, Radboud University Nijmegen Medical Centre, Nijmegen, The Netherlands; Pain in Motion International Research Group(1), Vrije Universiteit Brussel, Brussels, Belgium. Electronic address: rob.oostendorp@planet.nl.
2: Practice for Manual Therapy, Arnhem, The Netherlands.
3: Department of Public Health and Research, Radboud University Nijmegen Medical Centre, Nijmegen, The Netherlands; Institute for Methodology and Statistics Beuningen, Beuningen, The Netherlands.
4: Department of Physiotherapy, Ludwik Rydygier Collegium Medicum in Bydgoszcz, Nicolaus Copernicus University, Toruń, Poland; Rehabilitation Clinic, Military Clinical Hospital No. 10 with Polyclinic, Bydgoszcz, Poland; Neurocognitive Laboratory, Center for Modern Interdisciplinary Technologies, Nicolaus Copernicus University, Toruń, Poland.
5: Department of Rehabilitation Sciences and Physiotherapy, Faculty of Medicine and Health Sciences, University of Antwerp, Antwerp, Belgium; Department of Otorhinolaryngology, Antwerp University Hospital, Antwerp, Belgium.
6: Department of Rehabilitation Sciences and Physiotherapy, Faculty of Medicine and Health Sciences, University of Antwerp, Antwerp, Belgium.
7: Department Medical Psychology, Canisius Wilhelmina Hospital, Nijmegen, The Netherlands.

In deel 1 wordt het theoretisch concept besproken. Tinnitus kan ontstaan of gemoduleerd worden door een input van het somatosensorische en somatomotorische systeem. Dit betekent dat het geluidsniveau of de intensiteit van de tinnitus kan worden veranderd door sensorische of motorische stimulatie. Te denken valt aan spiercontracties, druk op myofasciale triggerpoints, TENS of bewegingen in gewrichten. De neurale connecties en de integratie van de auditieve en somatosensorische systemen in de hoog cervicale regio en achterhoofd worden bevestigd in meerdere studies. Deze koppelingen kunnen aanleiding geven tot een soort tinnitus die bekend staat als somatosensorische tinnitus. Er zijn slechts enkele studies die gefocust zijn op (cervicogene) somatosensorische tinnitus en manuele therapie.

In dit deel wordt gefocust op het theoretische concept van de (cervicogene) somatosensorische tinnitus, met of zonder secundaire centrale tinnitus of tinnitus sensitisatie.
De behandelmodaliteit met betrekking tot het somatosensorische systeem, en in het bijzonder manuele therapie, zou nu uitgezet kunnen worden in een subgroep van patiënten met cervicogene somatosensorische tinnitus. De conceptuele fase van deze studie heeft tot doel de onderliggende mechanismen te ontvouwen die het auditieve en het somatosensorische systeem koppelen in relatie tot subjectieve tinnitus door enerzijds de bestaande literatuur weer te geven (deel 1) en anderzijds middels een pilot studie de kenmerken van de populatie vast te stellen waarbij relevante componenten en resultaten van de manuele therapie bij patiënten met cervicogene somatosensorische tinnitus (Deel 2) wordt weergegeven.

In deel 2 wordt het effect van Manuele Therapie Utrecht (MTU) geëvalueerd bij een populatie met cervicogene somatosensorische tinnitus (CeT). Het gebruikte onderzoeksdesign heet: pretest-posttest design.

Methode
In het onderzoek werden n=506 patiënten geïncludeerd. Binnen de groep met CeT wordt een onderverdeling gemaakt met of zonder sensitisatie (TS). Beide groepen worden behandeld met Manuele Therapie Utrecht en oefeningen. De mate van tinnitus wordt primair met een VAStin met een schaal van 0-100 gemeten. Secundaire meetmaten zijn aantal behandelingen en bijkomende effecten.
Resultaten. Van de groep van n=506 voldeden n=122 aan het criterium CeT (24.1%). De gemiddelde leeftijd 53.3 jaar (± 9.8 jr.), vrouw 38.5%, gemiddelde duur van de tinnitus 7.3 jr. (± 8.9 jr.)
De CeT populatie wordt verdeeld in twee groepen:
1. 55 patiënten (45.1%) met TS (CeT+TS groep)
2. 67 patiënten (54.9%) zonder TS (CeT-TS groep)

Het verschil bij de pretest/posttest in VAStin binnen de groepen is statistisch significant (p=0.00):
1. CeT+TS, VAStin verschil 18.2 (p=0.00)
2. CeT-TS, VAStin verschil 5,9 (p=0.01)
en tussen de groepen is alleen CeT+TS statistisch significant, VAStin verschil 12.3 (p=0.01).

De pretest/posttest verschillen in de groepen waren klinisch relevant in de CeT+TS groep (verschil VAStin 18.2) en tussen de groepen ook in de CeT+TS groep (verschil VAStin 12.3). In beide groepen gold: MCIC ≥10 mm VAStin.
Het gemiddeld aantal behandelingen bedroeg:
1. CeT+TS, 10.3 (± 2.5)
2. CeT-TS, 9.6 (± 2.6)
In beide groepen waren geen bijkomende effecten.

Conclusie
Ondanks dat deze studie beperkingen kent is er waardevolle informatie verkregen over de CeT en TS groepen in een Nederlandse eerste lijns praktijk waar Manuele Therapie Utrecht is toegepast bij behandelen van cervicogene somatosensorische tinnitus. Verder is vastgelegd dat de CeT + TS groep met oefeningen een substantiële verbetering geeft bij behandeling van cervicogene somatosensorische tinnitus.

Knal bij vingerkraken komt van plotselinge holte in gewricht.
De luide knak bij het vingerkraken wordt veroorzaakt door het ontstaan van een ‘lege ruimte’ in de gewrichtsspleet en niet als die ruimte implodeert (ineenklapt). Het is de holtevorming die hoorbeer is, niet de implosie (het ineenklappen van die ruimte). Met filmpjes van MRI-opnamen hebben Canadese onderzoekers een oud vraagstuk opgelost. Zij publiceerden er onlangs over in PLOS ONE.
Dat de knal door holtevorming ontstaat was al de conclusie van het eerste gedegen onderzoek naar het kraken van gewrichten in 1947. De Britse artsen Roston en Haines trokken met toenemende kracht aan vingers, maakten röntgenfoto’s van het gewricht tussen vinger en middenhandsbeentjes, en beschreven het plostelinge uit elkaar gaan van botjes en hoeveel kracht (gewicht van 7 kg.) er nodig was om het knakkende geluid te laten ontstaan.
In 1971 werd die holteknaktheorie onderuit gehaald door Britse collega’s. Bij scheepsschroeven die krachtig door het water draaien, ontstaan belletjes door onderdruk. Die imploderen met donderend geraas en veroorzaken schade aan de schroef. De nieuwe theorie was toen dat deze cavitatie ook gebeurt in knakkende vingergewrichten.
MRI laat nu veel duidelijker dan röntgen zien wat er in de gewrichtsruimte gebeurt. De lege ruimte in het gewricht blijft lang na de knak bestaan.

Manuele therapie werkt goed bij chronische spierspanningshoofdpijn. Niet alleen de frequentie van hoofdpijn neemt af maar ook verbetert het dagelijks functioneren van deze patiënten en treedt minder arbeidsverzuim op.

Tot deze conclusie komt manueel therapeut René Castien. Hij promoveert op het onderwerp aan het VU Medisch Centrum. Ongeveer 3 procent van de mensen lijdt aan chronische spierspanningshoofdpijn.

Als je meer dan vijftien dagen per maand hoofdpijn hebt, belemmert dit je dagelijks functioneren. Daarbij leidt het ook tot een verminderde arbeidsprestatie, dus een effectieve behandeling is nodig. Medicatie, fysiotherapie, stressmanagement en acupunctuur zijn voor deze vorm van hoofdpijn niet effectief gebleken.

Onderzoek van de laatste jaren laat zien dat spieren en gewrichten een belangrijke rol spelen bij het ontstaan en onderhouden van chronische hoofdpijn. Castien richtte zich met zijn onderzoek op manueel therapeutische behandelingen van de nek. Hij vergeleek deze behandeling met de gebruikelijke zorg door de huisarts.

Zowel direct na de behandeling als na een half jaar was de manuele therapie effectief bij chronische hoofdpijnklachten. Niet alleen het aantal hoofdpijndagen daalde, maar ook het dagelijks functioneren verbeterede. Het positieve effect van de manuele therapie komt vooral voort uit een toename van spierkracht van de nekspieren.
Bron: Nu.nl

In de plant Corydalis yanhusuo die in de traditionele Chinese geneeskunde tegen pijn wordt gebruikt, is een molecuul gevonden dat daadwerkelijk pijn stilt. In een in december 2013 online gepubliceerd artikel van het tijdschrift Current Biology staat hoe het molecuul DHCB is geïsoleerd en vervolgens in het laboratorium is nagemaakt om er proeven mee te doen. Veel pijnstillers stillen niet alleen pijn, maar maken ook suffig, maar uit proeven is gebleken dat DHCB bij muizen al pijn dempt bij concentraties die nog niet sederen. DHCB werkt goed tegen chronische zenuwpijn. Na een week is er nog geen hogere dosis nodig, zoals bij morfine wel het geval is. De onderzoekers vinden dat ze en molecuul in handen hebben dat het uitgangspunt kan zijn voor betere pijnstillers.
Bron: NRC

Mensen met nog milde tot matige dementie gaan iets minder hard achteruit als ze vitamine E slikken. Het vitamine helpt deze patiënten beter dan het officiële Alzheimermedicijn memantine. Het vitamine E gaf 20 procent vertraging in een half jaar tijd. Onderzoekers onderzochten de zelfredzaamheid. Ze registreerden dat de vitamineslikkende patiënten dagelijks met twee uur minder verzorging toekunnen.
Bron: Journal of the American Medical Associaltion